08 december 2017

Aanvulling Mulier onderzoek (II)

Door het Mulier instituut is een aanvullende toelichting gegeven op het rapport Tafeltennis in Nederland: Onderzoek onder leden, oud-leden en de Nederlandse bevolking. Daarbij zijn vergelijkende en beschouwende opmerkingen gemaakt, waarvan hier het tweede artikel verschijnt.

Competitie

Competitiespelers zijn over het algemeen ‘trouwer’ dan leden die geen competitie spelen. Hierbij zijn enkele kanttekeningen te plaatsen:

Wat is de oorzaak – gevolg relatie? Gaan de mensen die verslingerd zijn aan tafeltennis competitie spelen, of houdt het competitie spelen je vast in tafeltennis? Als het laatste geldt (of beide, dat zou ook kunnen), dan is het zaak zoveel mogelijk mensen in enige vorm van competitie te krijgen.

Voor zover competitie spelen ervoor zorgt dat mensen blijven tafeltennissen, doordat de competitie structuur biedt (ritme, regelmaat, een lichte dwang om te spelen, ook als je een keer minder zin hebt), kan diezelfde structuur ook de reden zijn om af te haken (zie ‘Redenen afhaken competitie’, p17). Zeker wanneer men het druk heeft (leeftijdgroep 15-50 jaar!, p17), activiteiten in de vrije tijd moet afstemmen op andere gezinsleden, veel alternatieve activiteiten heeft en/of flexibiliteit in de eigen agenda zoekt.

Uit tabel 2.6 blijkt dat ‘gezelligheid, sociale contacten, teamgevoel’ de belangrijkste reden is om deel te nemen aan de competitie. Sowieso zijn deze meer sociale redenen belangrijker dan competitie en prestatie bij de deelname aan tafeltennis (zie tabel 2.4). Het lijkt er al met al op dat het voor het vasthouden van mensen in de competitie, en daarmee in tafeltennis, het van belang is dat de competitie wordt ervaren als een in zichzelf plezierige activiteit, waar ruimte is voor gezelligheid en sociale contacten. En dat de belangrijkste belemmeringen om deel te nemen/redenen om af te haken, zijn gelegen in de tijd die de competitie kost en de daarmee gepaard gaande agendaproblemen.

Deze kanttekeningen in acht nemend ligt het voor de hand te gaan nadenken over ‘lichte’ en meer flexibele vormen van competitie. De paragraaf ‘Groeperen van leden met dezelfde competitievoorkeuren’ (p25-26) suggereert om na te denken over verschillende ‘product-markt combinaties’, oftewel een variëteit aan competitievormen, toegesneden op de verschillende voorkeuren onder tafeltennissers.

Er is een harde kern (de eerste groep) die zaken graag bij het oude laat. Grote kans dat dit (erg) betrokken leden zijn, die relatief veel vrijwilligerswerk doen en wier geluid goed hoorbaar is binnen de verenigingen en bond. Voor deze groep kan de bestaande competitie(-opzet) blijven bestaan, waarin ook delen van groepen 3 en 4 kunnen en willen participeren.

Voor groep 2 en een deel van groep 3 is het gewenst om een doordeweeks aanbod te hebben, met een overzichtelijke tijdsduur (kortere wedstrijden, minder wedstrijden) en flexibiliteit bij de teamsamenstelling. Of dit mogelijk en haalbaar is zal afhangen van de dichtheid aan tegenstanders in een regio (reistijd!). Met andere woorden, of deze competitievorm kan worden aangeboden, en hoe (welke dag), is iets om regionaal/op districtsniveau te bepalen.

Voor een deel van groep 3 en groep 4 is het interessant om de lichte competitievariant zoals beschreven onder 2) ook aan te bieden in het weekeinde, naast de zwaardere variant genoemd bij 1). Ook hier geldt bij voorkeur de regionale insteek.

Verder blijft het zaak om voor de meer recreatief ingestelde spelers interne ‘competities’ aan te bieden, ‘stedelijke’ competities in grotere steden/gebieden met een hoge clubdichtheid, en toernooien. Bij toernooien is nog een variant denkbaar dat je punten kunt verzamelen door aan meerdere toernooien deel te nemen, waarmee je dan over een seizoen of jaar heen een competitie kunt winnen door goed te scoren in de toernooien.

 

Nieuwe instroom

Naast het behoud van de bestaande leden blijft het zaak na te denken hoe nieuwe leden te werven. Je kunt je voorstellen dat met het bestaande aanbod de nieuwe meer ‘traditionele’ tafeltennissers kunnen worden aangetrokken. Maar de uitdaging zit bij het aantrekken van nieuwe generaties (jeugd) en volwassenen en ouderen die wel lol hebben in tafeltennissen, maar dat (nog) niet bij een vereniging doen. Marktonderzoek zou kunnen verhelderen welk aanbod deze groepen zou kunnen verleiden om lid te worden van een tafeltennisvereniging.

Kijkend naar de uitkomsten van het voorliggend onderzoek ligt het voor de hand om voor bedoelde groepen te gaan experimenteren met ‘recreatief’ aanbod: direct veel spelen in een gezellige setting, oftewel, proberen de ‘campingsfeer’ door te trekken naar een doordeweekse avond of zaterdagmiddag. Degenen die echt gegrepen worden door de sport, kunnen vandaar doorstromen naar de meer competitievere vormen van tafeltennis, terwijl de recreanten vrij kunnen blijven spelen. In aanvulling op dat aanbod kan dan aan de techniek worden gewerkt in clinics of workshops.

 

‘Lerend beleid’

Het zou alle betrokkenen duidelijk moeten zijn dat er ‘iets’ moet gebeuren om de bestaande tendensen om te buigen. Begrijpelijkerwijs verschillen de meningen over wat dat ‘iets’ moet zijn. In zo’n situatie is het wenselijk om stapsgewijs te opereren en ruimte te creëren voor experimenten en uitproberen, naast wat er bestaat.

Voor de NTTB lijkt het raadzaam om enerzijds de bestaande weekeindcompetitie te laten voortbestaan, en anderzijds de districten/afdelingen uit te dagen voor hun regio te experimenteren met lichtere vormen van competitie, in het weekeinde en/of door de week. Daarbij is het goed dat de bond meekijkt, en leert wat werkt en wat niet werkt, en wat bepaalt dat iets wel of niet werkt. En verder dat de bond uitwisseling van ervaringen van de verschillende afdelingen faciliteert, stimuleert dat succesvolle aanpakken worden opgeschaald/toegepast in andere regio’s, en ‘waarschuwt’ voor aanpakken die al herhaalde malen zijn uitgeprobeerd met weinig of geen succes.